Brieven aan de eerw. heer S: Tweede brief

Jon Newton Brieven

WAARDE VRIEND!

Met blijdschap ontving ik uw brief. Ik kan u verzekeren dat elke brief die wij wisselen mijn hart nauwer aan u verbindt. Het is mij lief te vernemen, dat uw gedachten omtrent de artikelen en geloofsformulieren u naar allen schijn niet verhinderen zullen om in uw tegenwoordige stand vorderingen te maken; en indien ze, zonder u minder nuttig te doen zijn, alleenlijk strekken om u van de dienst der hoofdkerk terug te houden, dan ben ik verzekerd dat het u in het stervensuur of op de dag des Oordeels niet zal berouwen de inspraak van uw geweten te hebben opgevolgd, in weerwil van de redenen die de gewoonte of het tijdelijk belang opgaf. Daar ik niet de begeerte heb u in uw besluiten te belemmeren, is het misschien beter om dit onderwerp in het geheel te laten rusten?

Het lijkt erop dat u mij bedektelijk beschuldigd dat ik niet bescheiden genoeg ben in hetgeen ik aanmerkte, of meende te moeten denken van de mannen van de Feathers-Tavern. Zoals ik mij herinner, want ik houd geen afschriften van mijn brieven, drukte ik mij met een dubbele bepaling uit; allereerst zeggende: de hoofden van die verbintenis, en dan er nog bijvoegende: of voor het minst sommigen van hen. Ik denk dat uw bescheidenheid u bezwaarlijk zal doen geloven dat er niet één onder hen is, die, als het aan hem lag, het gehele stelsel ondersteboven zou werpen, voorzover namelijk, als het met de leerstellingen der Socinianen strijdt; ik geloof dat ik zonder de minste onbescheidenheid mag vaststellen dat de bedenkingen door de heer Lindsay tegen de liturgie ingebracht, niet alleen de zijne zijn.

Het blijkt duidelijk in zijn geval en uit zijn eigen schrijven dat het afschaffen der ondertekening alleen, hetwelk het onmiddellijk en uitgedrukte onderwerp van het verzoek van de geestelijkheid uitmaakt hem niet zou hebben voldaan. En het lijdt bij mij geen twijfel dat er nog meer anderen onder de geestelijkheid gevonden worden die het met hem ééns zijn. Ik wenste wel, door u voor bescheiden te worden aangezien; hoewel ik beken geen vriend te zijn van die lauwheid en onverschilligheid omtrent de waarheid die in deze dagen bij velen de naam van bescheidenheid draagt. Ik begeer een geest van bescheidenheid en goedwilligheid te behouden jegens alle mensen, hun welzijn te wensen, hun alle goede diensten te bewijzen welke mij mogelijk zijn, en te prijzen hetgeen prijzenswaardig is, in een Sociniaan zowel als in een Calvinist. Maar met sommige mensen kan ik slechts meegaan usque ad aras, tot aan de kerk.

Ik moet over grondbeginselen oordelen volgens Gods Woord, en over de boom en zijn vruchten. De staat van anderen bij hun sterven beoordeel ik niet, omdat ik weet dat Hij Die verhoogd is om bekering en vergeving der zonden te schenken, dat doen kan wanneer en aan Wie het Hem behaagt. Nochtans geloof ik vast, en ik maak er geen geheim van het in de openbaarheid te prediken, dat vloekers, dronkaards, hoereerders, indien zij zo blijven, Gods Koninkrijk niet kunnen beërven. En ik beschouw met geen minder medelijden zulke mensen, wier karakters in het burgerlijk leven achtenswaardig zijn, wanneer ik hen ongelukkiglijk verblind zie door hun eigen wijsheid, en, terwijl zij zichzelf achten en van anderen geacht worden als bouwmeesters in Sion, hen de enige grondsteen, waarop de hoop eens zondaars veilig rusten kan, zie verwerpen.

Het zij verre van mij om al de Socinianen voor huichelaars aan te zien, maar ik geloof, dat zij allen zeer gevaarlijk dwalen. Hun grondstellingen leveren ook in mijn oog geen greintje meer van de echte vruchten van christendoms op, dan het Deïsmus zelf. Gij zegt: “Indien zij oprecht zijn, en niet dwalen door gebrek aan vlijt in het onderzoek der waarheid, dan kan ik niet van mij verkrijgen te denken dat God hen verdoemen zou, om een onvermijdelijk gebrek in hun verstand!” Waarlijk, mijn Vriend! Ik heb zulke lage gedachten van de mens in zijn bedorven staat, dat ik niet geloof dat iemand ware oprechtheid in zaken van de godsdienst bezit vóórdat God hem die schenkt. En als God zelf een mens oprecht maakt in het zoeken naar de waarheid, dan zal Hij hem zeker zo besturen dat hij haar op gepaste tijd zal vinden; volgens hetgeen de Zaligmaker zegt in Joh. 6:44, 45: Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader die Mij gezonden heeft, hem trekke. Daar is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

Te stellen, dat iemand in oprechtheid de weg der zaligheid zou kunnen zoeken, en nochtans hem missen, door een onvermijdelijk gebrek in het verstand, zou aanlopen tegen de uitdrukkelijke beloften van het Evangelie; als onder andere Matth. 7:7, 8: Bidt, en u zal gegeven voorden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaanworden, enz. En Joh. 7:16, 17. Maar te willen staande houden dat niets noodzakelijk is gekend te worden van hetgeen sommige mensen, die zeggen oprecht te zijn, niet geloven kunnen, zou inderdaad zijn de uitspraken van de Bijbel krachteloos maken, en een wijde deur openzetten voor twijfel. Ik ben geen rechter over de harten; maar ik mag als zeker stellen, dat al wie de grondsteen tot een rots der ergernis maakt, niet oprecht kan zijn in zijn onderzoek. Hij mag de heilige Schrift nauwkeurig onderzoeken, maar hij brengt zijn eigen vooraf opgevatte gevoelens met zich mee; en in plaats van deze te onderwerpen aan de toetssteen der waarheid stelt hij ze tot het richtsnoer naar hetwelk hij de Schrift verklaart.

Dat zij die op hun verstand steunen struikelen en dolen verwondert mij niet; want dezelfde God, dié beloofd heeft de hongerige met goederen te vervullen, heeft bedreigd, de rijken ledig weg te zenden. Het is niet zozeer door gebrek aan natuurlijk verstand, als wel door gemis van eenvoudigheid en ootmoedigheid des harten, dat zovelen struikelen gelijk de blinden op de middag, en niets kunnen zien van die grote waarheden die in het Evangelie als met een zonnestraal beschreven zijn. U verlangt, dat ik mijzelf verklaar aangaande het leerstuk van de Heilige Drie-eenheid. Ik wil het graag proberen; maar ik weet, dat ik zulks zonder vrucht zal doen, dan voor zoverre het Hem, die mij geleerd heeft het behaagt in uw hart getuigenis te geven aan hetgeen ik zeg. Mijn eerste grondstelling in de Godsdienst is hetgeen de Schrift mij leert aangaande het algeheel bederf van natuur van de mens, in verband met de geestelijkheid en gestrengheid van de Goddelijke wet.

Ik geloof, dat wij van nature zondaars zijn, en in de wandel allemaal overtreders zijn; dat wij dood zijn in de misdaden en zonden, en dat de heersende gezindheid van ons hart van nature vijandig is tegen de heiligheid, de regering, en de genade van God. Op deze grond zie, en voel, en erken ik de noodzakelijkheid van zulk een zaligheid als het Evangelie voorhoudt, welke op dezelfde tijd dat zij de roem buiten sluit, en de waan van alle menselijke waardigheid of verdienste neervelt, een toereikende grond van hoop oplevert voor hen, die geoordeeld mochten worden, of zich zelven oordelen mogen , de zwaksten of de slechtste van alle mensenkinderen te zijn. Ik geloof dat, welke kundigheden ook iemand door opvoeding of onderwijs verkrijgen mag, niemand ooit zichzelf gevoelen of erkennen kan zulk een doemwaardig, ellendig, hatelijk zondaar te zijn, tenzij hij krachtdadig en bovennatuurlijk door Gods Geest ervan overtuigd word. Er wordt, wanneer het God behaagt, een zeker licht in de ziel gestort, dat niet alleen in trap, maar in soort, toto genere, verschilt van alles wat door zedelijke overtuiging of overreding kan uitgewerkt of teweeggebracht worden. Maar om op uw andere vragen terug te komen, de Heilige Geest onderwijst of openbaart geene nieuwe waarheden, hetzij die de leer of de beoefening betreffen, maar stelt ons alleenlijk in staat om te begrijpen en te verstaan hetgeen in de heilige Schrift geopenbaard is.

Hier wordt een verandering geboren; de mens die geestelijk blind was, begint te zien. Het karakter van een zondaar, zoals Gods Woord het beschrijft, vindt hij een juiste afbeelding van zichzelf; en hij ziet en voelt, dat hij verre van God is, geheel van Hem vervreemd, een weerspanneling, en dat hij tot hiertoe vruchteloos geleefd heeft. Nu begint hij de noodzakelijkheid van een verzoening, een voorspraak, een Herder, een Trooster in te zien; hij kan niet langer steunen op zijn eigen wijsheid, kracht, of goedheid, maar daar hij alles wat te voren hem gewin was, schade rekent om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, verzaakt hij alle andere toevlucht, en verlaat zich met al zijn belangen op de Persoon, het werk en de beloften van de Zaligmaker. Ik zeg, dat Hij in deze weg zal de leer van de Heilige Drie-eenheid zal vinden, niet slechts een bewijsbare stelling, maar een noodzakelijke grondwaarheid te zijn; hij zal uit aanmerking van zijn behoeften en van zijn stand een bijblijvende overtuiging hebben dat de Zoon en de Heilige Geest waarlijk God zijn, en de eigenschappen en macht der Godheid moeten bezitten, om dat werk uit te voeren, hetwelk de heilige Schrift hen toekent, en om dat vertrouwen en die hulde waardig te zijn die de Bijbel wil dat wij in Hen stellen en Hen bewijzen.

Zonder dit ontwaakte gemoed, zal een Godgeleerde die voor rechtzinnig doorgaat zich deerlijk verwarren, zelfs in het verdedigen van zijn eigen gevoelens. Ik heb uitgewerkte verhandelingen gezien tot staving van het leerstuk der Heilige Drie-eenheid, welke mij weinig meer voldoening gaven dan ik waarschijnlijk zou gehad hebben van een verhandeling over de regenboog die door een blindgeborene was opgesteld. Inderdaad de zaligmakende kennis van God kan niet verkregen worden enkel en alleen door geleerde navorsingen van onze zijde; zij moet ons geschonken worden door openbaring van Gods zijde. Niemand toch kent den Zoon, dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren; Matth. 11:27. Zie ook Matth. 16:17. Een openbaring, niet voorwerpelijk: van nieuwe waarheden, maar onderwerpelijk: door nieuw licht in ons. Dan wordt ons de waarheid duidelijk. Misschien zult u voor het tegenwoordige van mijn mening niet volkomen verstaan, noch mijn gevoelen kunnen toestemmen; maar ik twijfel er niet aan dat de tijd zal komen wanneer u dit zult kunnen doen. Ik geloof dat de Heere u die oprechtheid heeft geschonken welke Hij nimmer teleur stelt.

Zeer verre zij het van mij, mijzelf of enige schrijver of leraar onfeilbaar te achten. Maar geloofd zij God! Ik ben niet overgelaten om ginds en weder geslingerd te worden door de onzekere stroom van gevoelens in die stukken, waaraan de vrede van mijn ziel ten nauwste verknocht is. Ik weet, ja ik weet onfeilbaar, Wien ik geloofd heb. Ik sta zó weinig in twijfel omtrent de weg der zaligheid, als over de weg naar Londen. Ik kan mijzelf niet bedrogen hebbe, omdat het Woord van God mij niet bedriegen kan. Het is mij echter onmogelijk, u, of iemand anders, volkomen voldoening te geven aangaande mijn overtuiging, terwijl ze van een ondervindelijke aard is. Openb. 2:17. Over het geheel ontstaat zij uit het gezicht dat ik ontvangen heb van de macht, de ontferming, en genade van de Heere Jezus, en uit de bewustheid dat ik uit overreding van mijn zonde en ellendigheid, tot Hem de toevlucht heb genomen, en mijzelf geheel en al aan Hem toevertrouwd en overgegeven heb. Sinds mijn gemoed verlicht geworden is, strekt alles, wat ik in mij en rondom mij beschouw, tot staving en opheldering van hetgeen ik in de Bijbel lees. En hoewel ik reden genoeg heb, om mijn eigen oordeel ieder uur te wantrouwen, heb ik echter geen reden om te twijfelen aan de grote en wezenlijke dingen die de Heere mij zelf geleerd heeft.

Naast een lange brief zend ik u een groot boek. Een gedeelte ervan, want ik wil u niet opleggen het geheel te lezen. Het zal u mogelijk mijn mening beter verklaren dan ik thans tijd heb zelf te doen. Ik stel een zo hoge prijs op dit boek van Halyburton , dat ik, indien ik verzekerd was geen ander exemplaar in de plaats te kunnen verkrijgen, twijfel of ik het wel zou willen afstaan voor zijn gewicht aan goud. De eerste en grootste verhandeling is in mijn oog een meesterstuk. Doch ik wilde u voornamelijk raden, te lezen de Beproeving des Geloofs, aan het einde van het boek. Ik behoef u niet te verzoeken, haar met oplettendheid en in haar geheel te lezen. De aangelegenheid van het onderwerp, hebben onmiddellijk verband met hetgeen u zoekt, en de juistheid van de redenering zal mijn verzoek, als een beweegreden aangemerkt, onnodig maken. Ik kan hem geen sierlijk schrijver noemen; en daar hij een Schot is, heeft hij zeer vele Schotse uitdrukkingen. Maar u zult de waarheid boven het sierlijke schatten. Ik verlang te horen hoe het u bevalt. Ik vind het zo gepast naar enige dingen die tussen u en mij verhandeld zijn, alsof het met opzet daartoe geschreven was.

Het onderzoek aangaande de wedergeboorte en de rechtvaardiging, dat achter in het boek staat wil ik u niet aanprijzen, maar eerder afraden te lezen. Maar als u het toch leest, en daarna geneigd bent te denken dat u een bespiegeling gelezen hebt, die meer vernuftig dan nuttig is zal ik u niet tegenspreken. Ik geloof zeker dat het u in dat licht moet voorkomen, maar het was bij het overige ingebonden, en ik kon het dus niet terughouden. Maar ik hoop dat het stuk van de Beproeving des Geloofs u zal bevallen. Ik schep een waar genoegen in onze schriftelijke omgang, en nog meer verheugt mij het bewustzijn van uw vriendschap, welke ik hoop zorgvuldig aan te kweken; terwijl ik proberen zal mijzelf oprecht de uwe te betonen.

14 Juli, 1775