Brieven aan de eerw. heer S: Derde brief

Jon Newton Brieven

WAARDE VRIEND!

Aankomende week ga ik naar Londen, waar ik, buiten onvoorziene omstandigheden, een maand hoop te blijven. Veel zaken, die vóór mijn vertrek noodzakelijk moeten gedaan worden, benemen mij de tijd die ik aan het beantwoorden van uw laatste brief wenste te besteden. Ik zal echter zoveel mogelijk tijd voor u vrijmaken als ik kan. Ik dank u voor uw brief. Uw tegenwerpingen mishagen noch vervelen mij. Zolang de waarheid het voorwerp van uw onderzoek is, dan is uw vrijheid die u tegenover mij gebruikt des te beter. Ook komen ze mij niet vreemd voor; want ik heb eens dezelfde bedenkingen gehad. Ik heb op uw grond gestaan, en ik blijf nog steeds hopen, dat u eenmaal op de mijnen zult staan. Mijn oogmerk, zoals ik u meer dan eens gezegd heb, is niet, u voor te schrijven wat u geloven moet, of te begeren dat u iets aanneemt op mijn ipse dixit; maar ik zal, in de eenvoudigheid van onze vriendschap, u van tijd tot tijd mijn gedachten meedelen aangaande de stukken die u voorstellen zult, en de uitkomst aan de zegen van de Heere overlaten.

Het is mij aangenaam, dat u de Socijnsgezinden niet voor bouwmeesters houdt, hoezeer zij zichzelf ervoor houden, en door anderen, niet slechts weinigen, zoals u denkt, maar velen als zodanig worden gezien. Ik vrees, dat het Socinianisme onder ons veel veld wint, en wellicht hier te lande het heersend gevoelen staat te worden, in het bijzonder bij hen, die voorgeven grote vernuften te zijn. Andere sekte-namen worden thans op sommigen al te lichtvaardig en te onbepaald toegepast; terwijl onder hen, die er mee bestempeld worden, waarlijk velen, naar ik het ervoor houd, gevonden worden, die vastkleven aan de fundamentele waarheden van het Evangelie, en het leven van het geloof in Gods Zoon leven. Ik houd mij er verre van te denken, dat God ieder oprecht mens besturen zal, om nauwkeurigal mijn gevoelens te omhelzen.

Maar er zijn enige gevoelens die naar mijn gedachten wezenlijk behoren tot de staat en het karakter van een waar Christen. En deze maken hem tot een christen, niet alleen omdat ze zijn erkende gevoelens zijn, maar ook om de bijzondere wijze, waarop hij tot hun bezit geraakt is. Er grijpt een zekere gewichtige verandering plaats in het hart door de werking van Gods Geest eer de gezondste en rechtzinnigste gevoelens hun gepasten invloed op ons kunnen hebben. Dit werk, of deze verandering, wordt in de heilige Schrift door verscheiden benamingen uitgedrukt, iedere van welke ten oogmerk heeft, om ons de wonderbare uitwerkselen die zij teweegbrengt, en de alvermogende kracht door welke zij teweeggebracht wordt, te leren kennen. Somtijds wordt ze genoemd, een nieuwe geboorte, Joh. 3:3;  somtijds, een nieuw schepsel, of een nieuwe schepping, als in 2 Kor. 5:17; soms een doen schijnen van het licht uit de duisternis, 2 Kor. 4:6; soms een openen van de ogen der blinden, Hand. 26:18; soms een opwekking van doden, Efez. 2:5.

Zolang een mens deze verandering niet ondervonden heeft, zal hij geen goed begrip van haar kunnen vormen. Maar zij bestaat niet in het aannemen van een zeker voelen, maar in het ontvangen van een beginsel van Goddelijk leven en licht in de ziel. En zolang men dit mist, kunnen de waarheden van het Evangelie niet goed onderscheiden of verstaan worden door de uiterste krachtsinspanning van de gevallen rede van de gevallen mens; die, met al zijn wijsheid, redeneren, en gaven, steeds een natuurlijk mens blijft, zoals de Apostel zegt in, 1 Kor. 2:14; totdat de kracht van God zijn hart bezoekt. Dit werk wordt somtijds spoedig uitgevoerd, als in het geval van Lydia, Hand. 16:14. Op andere tijden zeer langzaam, en trapsgewijze. Een mens die eertijds een vreemdeling was van de gedaante en zelfs van de godzaligheid, of op zijn best zich tevredenstelde met een uiterlijke gedaante, voelt nieuwe gedachten in zijn geest oprijzen; hij wordt enigszins verontrust over zijn zonden; hij vindt enige begeerte om God te behagen, en begint te twijfelen of zijn staat wel veilig is. Hij onderzoekt zijn begrippen aangaande de Godsdienst; hij hoopt er het beste van, maar kan er echter niet volkomen in berusten.

Heden zal hij wellicht menen het rechte gevonden te hebben; morgen is hem alles wederom onzeker. Hij ondervraagt anderen, wikt en weegt en overdenkt; hij ontmoet gevoelens die hem nooit onder de aandacht gekomen waren, hij acht ze aannemelijk, maar wordt straks weder geschud door tegenwerpingen of onderstelde gevolgen die hij onmogelijk weet op te lossen. Naar gelang hij in zijn onderzoek voortgaat vermeerderen zijn zwarigheden. Er ontstaan nieuwe twijfelingen in zijn gemoed; de Bijbel zelfs baart hem verlegenheid, en schijnt hem tegenstrijdige dingen te zeggen. Hij wilde de diepten van de waarheid peilen met het dieplood van zijn rede, maar merkt dat zijn lijn te kort is. Nochtans is de mens nu reeds onder een bestuur, dat hem ten laatste op het rechte spoor zal leiden. Het gewicht van de zaak neemt al zijn aandacht in beslag, en verdrijft de smaak die hij eens had in de dingen der wereld. Hij leest, hij bidt, hij probeert, hij neemt zich voor.

Soms wordt hij door inwendige bekommeringen, en door verzoekingen van buiten, volkomen radeloos. Hij zou haast wensen te blijven staan waar hij is, en niet verder te onderzoeken. Maar toch hij kan niet rusten. Uiteindelijk begint hij de inwendige verdorvenheid, die hij tevoren als een leerstuk had toegestemd, te voelen; een besef van zonde en schuld verschaft hem nu ander werk. Hier kan hem nu zijne Rede niet helpen. Dit is een moeilijke verandering van het gemoed; maar zij baant de weg voor een zegen. Zij beantwoordt sommige tegenwerpingen beter, dan duizend bewijsredenen; zij snijdt al de pogingen van zijn eigen wijsheid en vermogen af; het werken om zichzelf te behouden vermoeit hem, en leert hem, op Gods bepaalde tijd, de zin van dit woord verstaan: Degenen, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die de goddelozen rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.

Dan leert hij, dat het geloof waarvan in Gods Woord gesproken wordt, heel iets anders is dan een beredeneerde toestemming van het Evangelie, dat het een onmiddellijke gave van God is, Efez. 2:8; een vrucht van Gods werking, Kol. 2:12; dat Christus niet slechts het Voorwerp, maar ook de Werker en Voleinder des geloofs is; en dat het geloof niet zo eigenlijk een gedeelte is van die gehoorzaamheid, welke wij God schuldig zijn als een onwaardeerbare weldaad, welke wij van Hem ontvangen, om Christus wil, Filipp. 1:29; het middel, waardoor wij gerechtvaardigd worden, Rom. 5:1; en het beginsel, door hetwelk wij met Christus worden verenigd, als de rank met de wijnstok, Joh. 17 : 21. Ik weet heel goed, wat moeite men aangewend heeft, om aan deze en andere schijnbaar geheimzinnige plaatsen van Gods Woord een andere betekenis te geven. Doch tot zover spreken wij wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben. Ik heb een pad beschreven, waarin velen die mij bekend zijn, geleid zijn geworden, en dat ik zelf bewandeld heb.

Het Evangelie, waarde vriend, is een weg van het behoud voor hen die gereed staan om te komen; het is niet bestemd om hen op een weg te brengen waarin zij zichzelf mogen zaligen door hun eigen werken. Het spreekt tot ons, als tot de zodanige die reeds veroordeeld zijn, en nodigt ons om te geloven in een gekruisigden Zaligmaker, opdat wij de verlossing mogen verkrijgen door Zijn Bloed, namelijk de vergeving van onze zonden. En Gods Geest doormiddel van het Evangelie, overtuigt ons eerst van ongeloof, zonde, en ellende; en dan, door de dingen van Jezus aan ons gemoed te openbaren, leert Hij ons als hulpeloze zondaars tot Christus komen, Hem aannemen, Hem aanschouwen, of, met andere woorden, in Hem gelooven, en vergiffenis, leven, en genade van Hem verwachten, met verzaking van alle pleitgronden, waarop wij te voren steunden, terwijl wij alle dingen schade en drek achten, om de uitnemendheid der kennis van Christus; Joh. 6:35, Jes. 45:22, met Joh. 6:40, Kol. 2:6.

In sommige uit mijn Omicrons brieven, zult u mijn gedachten breder voorgesteld vinden dan ik thans tijd heb u te schrijven. Tot verdere opheldering, verwijs ik u naar het manuscript dat hier nevens gaat. Het eerste deel, met verkortingen geschreven, raakt niet zozeer ons tegenwoordig onderwerp, als het tweede, hetwelk u zonder sleutel zult kunnen lezen. Wet behelst een verhaal van een onbetwistbare daadzaak, betreffende een persoon, die mij, zoals u zult bemerken, wel bekend was. Gij kunt op de waarheid van elke letter volkomen staat maken. Ik stel het u in handen, in het vertrouwen van onze vriendschap, met verzoek, dat u het niet uit uw handen geeft, en als u het gelezen zult hebben, mij het wel verzegeld enongeschonden aan mijn huis wilt terugbezorgen.

U zult er de gevoelens in vinden van een man van grote geleerdheid, gezond oordeel, en van een beminnelijk en onbesproken karakter; en tevens zien hoe gering hij al deze voordelen achtte toen het de Heere behaagde zijn gemoed te bestralen door Zijn licht. Hoewel wij niet volkomen eenstemmig denken aangaande ’s mensen verdorvenheid; daar wij nochtans beiden toestaan, dat we onze begrippen omtrent haar naar Gods Woord vormen moeten, vertrouw ik erop dat wij in dit punt niet zullen blijven verschillen. Adam was geschapen naar Gods Beeld, in rechtvaardigheid en ware heiligheid, Efez. 4:24. Ik geloof dat dit zedelijk beeld, door de zonde geheel verloren is. In deze zin stierf onze eerste vader, ten dage, ja op het dezelfde ogenblik dat hij van de verboden vrucht had gegeten.

God was niet langer “zijne vreugd en zijn vermaak; hij was afkerig van het denkbeeld van Zijn tegenwoordigheid, en zou, indien het mogelijk was, zich voor Hem verborgen hebben. Zijn natuurlijke vermogens, die ongetwijfeld zeer gekrenkt waren, werden niet vernield. De mens in zijn natuurlijke staat, is nog bekwaam tot grote dingen. Zijn verstand, redeneringsvermogen, geheugen, verbeeldingskracht, enz. bewijzen overvloedig, dat de Hand die hem gemaakt heeft Goddelijk is. Hij is zoals Milton van Beëlzebub zegt, “doorluchtig, hoewel gesloopt”, en vertoont even als de geschonden overblijfsels van een verwoest paleis, de kennelijkste trekken van zijn vorige heerlijkheid. Hij kan redeneren, uitvindingen doen, en door oefening een aanmerkelijke kennis in natuurlijke zaken verkrijgen. De werkingen van het menselijk verstand zoals die zich in de karakters van sommige wijsgeren, dichters, redenaars, enz. ontdekken, zijn verbazend. Maar de mens kan zijn Maker niet kennen, beminnen, vertrouwen, noch dienen, tenzij hij vernieuwd wordt in de geest van zijn gemoed.

God heeft ook in hem bewaard enige aandoeningen van goedwilligheid, medelijden, enig gevoel van natuurlijke billijkheid, en waarheid, enz, zonder welke er geen samenleving zou kunnen zijn; maar dit alles is, naar ik meen, weinig meer dan een instinkt, waardoor de maatschappij in een geringe mate in verband wordt gehouden. Doch daar al die overgebleven loffelijke hoedanigheden door hoogmoed en eigenliefde worden bestuurd, verdienen zij de naam van deugd of goedheid niet, omdat haar werking niet voortkomt uit een beginsel van liefde tot God, en ook niet gericht is tot Zijn eer, noch geregeld naar het richtsnoer van Zijn Woord, totdat er een beginsel van genade bijkomt. Udenkt, dat ik niet wil zeggen: “dat God, door een rechterlijke daad tot straffe der overtreding van één mens, aan al zijn nageslacht die verdorvenheden heeft toegevoegd”.

Laat ons onderstellen, dat de straf, aan het eten van het verboden ooft vastgehecht geweest ware het verlies van Adams redelijke vermogens, en dat hij verlaagd was geworden tot de staat en de vermogens van een dier. Als hij in deze staat kinderen gekregen had naar zijn beeld en gelijkenis, dan zouden die, vermits zijn natuur vooraf reeds ontaard was, ook allen redelozedieren zijn geweest, zoals hij; want hij zou hun de oorspronkelijke vermogens die hij verloren had, niet hebben kunnen mededelen. Zal dit mijn mening ophelderen? De zonde beroofde hem niet van de redelijkheid, maar van de geestelijkheid. Zijn natuur werd aards, natuurlijk, ja duivels; en deze vervallen natuur, deze vleselijke gezindheid, welke vijandschap is tegen God, welke zich aan zijn Wet niet onderwerpt, noch onderwerpen kan, Rom. 8:7, ontvangen wij allen, zonder onderscheid, van hem.

Beschouw de kinderen; aanstonds betonen zij zich afkerig van het goede, maar uitermate geneigd tot het kwade. Dit kunnen zij zelfs zonder meester leren; maar tienduizend leermeesters en lessen, kunnen hun het goede niet inprenten, zodat zij leren kunnen Schepper te beminnen tenzij een Goddelijke kracht daartoe meewerkt. Evenzo is het met de aarde, welke onkruid in overvloed voortbrengt; maar wanneer u een koolplant of een appelboom ziet, dan houdt bent u verzekerd dat deze daar gezaaid of geplant is, en niet vanzelf uit de grond is voortgekomen. Ik weet, dat vele harde bedenkingen tegen dit stuk kunnen ingebracht worden; maar de Heere zal op Zijn tijd zijn eigen zaak in het licht stellen, en zijn handelingen verdedigen. Ik laat alle zwarigheden aan Hem over. Voor mij is het genoeg dat de Bijbel leert, en de ondervinding bewijst, dat het waarlijk met de zaak dus gelegen is; Rom. 3:9-21, Job 14:4.

Dus hebben wij niet slechts ons geluk verbeurd door overtreding, maar zijn ook door onze verdorvenheid onbekwaam voor hetzelve, en hebben zo weinig begeerte naar, of smaak voor zulk een staat als volgens Gods Woord de hemel is, als een doof geborene kan hebben voor een concert. En daarom verklaart onze Heere, dat zo iemand niet wederom geboren wordt, hij Gods Koningrijk niet alleen niet zal, maar ook niet kan zien. Van hier een dubbele noodzakelijkheid van een Zaligmaker, Zijn Bloed tot vergeving van onze zonden, zijn Leven, Geest en Genade om onze ziel levend te maken en ons opnieuw voor Hem te formeren, opdat wij Zijn liefde mogen voelen en Zijn lof verkondigen. De Apostel Paulus, was vóór zijn bekering niet oprecht in de zin waarin ik hoop, dat uoprecht bent. Hij stelde zonder enige twijfel vast dat hij op de rechte weg was, zoals vele anderen, die de dienaars van de Heere ombrachten; Joh. 16:2.

Hij was door een blinde en hardnekkige ijver bezield. Ik geloof niet, dat hij de eigenlijke gesteldheid van de zaken, of de waarheid van de gebeurtenissen, met die nauwkeurigheid onderzocht, die de oprechtheid van hem zou geëist hebben. U meent, dat zijn oprechtheid en zijn ijver de eigenlijke hoedanigheden waren, die hem tot een uitverkoren vat maakten. Maar zelf spreekt hij ervan, als van die dingen die hem in het bijzonder deze eer on waardig maakten, 1 Kor. 15:9. En hij zegt ons, dat hij gesteld was tot een voorbeeld van Gods lankmoedigheid en barmhartigheid, opdat de voornaamste van de zondaren aangemoedigd zou worden, 1 Tim. 1:15, 16.

Indien hij oprecht begeerd had te weten of Jezus de Messias was, dan was er in ’s Heilands karakter, in Zijn leer en wonderwerken, en in de voorzeggingen aangaande Hem, genoeg te vinden om dit stuk duidelijk te maken. Maar hij hield het voor bewezen, dat hij in zijn gevoelen geenszins mistastte, en ijlde dus blindelings voort, en was, gelijk hij zelf getuigt, bovenmate woedende tegen de discipelen van de Heere. Zulk soort van oprechtheid is vrij algemeen. De mensen geloven dat zij de waarheid aan hun zijde hebben, en behandelen daarom anderen met verachting of woede. Zij beroepen zich op de Schrift, maar stellen eerst hun vooraf opgevatte gevoelens als waarheden vast, en dan zoeken zij schriftuurplaatsen op die hun meningen schijnen te begunstigen. Waarlijk iemands verbeelding dat hij op de rechte weg is kan geenszins wettigen alles wat hij in die vooronderstelling doet.

Onkunde en halsstarrigheid zijn op zichzelf zondig; en geen voorwendsel van oprechtheidkan iemand bevrijden van het gevaar, van onder haar invloed te zijn; Jes. 27:11. Luk. 6:39. Het schijnt mij toe, dat schoon u niemand blindelings wilt volgen, u begerig bent om uw misvattingen te ontdekken, verondersteld dat u in een stuk van belang dwaalt. U leest en onderzoekt Gods Woord; niet om wapens te vinden, waarmee u in alle geval uw gevoelens zou willen verdedigen, maar om te weten of ze verdedigbaar zijn of niet. U bidt om Gods licht en onderwijs; en in dit onderzoek bent u gewillig, om te wagen hetgeen de mensen doorgaans het allerminst wagen durven, achting, voordeel, openbare bediening, gunst der groten, enz. Een oprechtheid van deze aard ontmoet ik al te zelden; wanneer ik ze ontmoet, dan acht ik het voor een goed teken en ben gereed te zeggen: “Niemand kan dit doen, tenzij God met hem is.” Nochtans is oprechtheid geen bekering. Maar ik geloof, dat ze niet zelden er een voorbode van is.

Ik wens niet liefdeloos en twistziek, haastig en voorbarig te zijn, in het beoordelen vanmijn medeschepselen. Maar wanneer ik de Bijbel voor Gods Woord erken, dan kan ik niet nalaten mijn oordeel naar dat Boek in te richten. Het is waar, ik kan niet in de harten van mensen zien, maar harten en grondbeginselen zijn in de heilige Schrift voor mij opgetekend. Ik lees, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in hem blijvende; ik lees insgelijks: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking! En daarom besluit ik, dat er dwalingen in de beschouwing, (dwalingen des verstande en des harten) zijn, even snood in haar aard, en even verderfelijk in haar uitwerking als de doodslag zelf; en dat de eerlijkste en braafste man ten aanzien van de burgerlijke maatschappij, indien hij de Heere Jezus Christus niet liefheeft in de ogen van God, de Rechter over allen, niet minder afschuwelijk is dan een doodslager.

Het heeft God behaagd, om ter wille van de vrede en de instandhouding van der maatschappij, een zwart merk te stempelen op die zonden, die de vrede en welstand van onze medemensen verstoren, als bijv. overspel en doodslag. Maar buiten twijfel zijn de zonden welke onmiddellijk tegen Hem begaan worden, nog veel verderfelijker dan enig misdaad tegen onze medeschepselen. Het tweede Gebod, Matth. 22:39, is aan het eerste gelijk; maar het rust op hetzelve, en is derhalve minder. De mensen oordelen gewoonlijk anders. Achteloos te leven omtrent God en het Evangelie, wordt als een kleinigheid aangemerkt, in vergelijking met overtredingen tegen de maatschappij. Maar vroeger of later zal het aan allen blijken geheel anders te zijn. Een bende struikrovers moge stipt zijn op het punt der billijkheid, eerlijkheid en trouw die zij jegens elkaar in acht nemen; maar omdat zij een kleine maatschappij vormen, waarvan belangen onbestaanbaar zijn met de openbare rust en veiligheid, verdienen zij terecht als booswichten aangezien, en als zodanige behandeld te worden, niettegenstaande hun eerlijkheid onder elkaar.

Maar zulk een gezelschap van booswichten is veel groter in evenredigheid tot een ganse natie, dan een, of al de natiën van de aardbodem, in evenredigheid tot de grote God. Onze afhankelijkheid van Hem is volstrekt; onze verplichtingen tegenover Hem zijn oneindig. Tevergeefs zullen de mensen pleiten op de zedelijke volbrenging van hun betrekkelijke plichten tegenover elkaar, indien zij in de onuitsprekelijk grotere betrekking waarin zij tot God staan, te kort schieten. En daarom, wanneer ik mensen zie leven zonder God in de wereld, gelijk ze allen doen, zolang zij onbekeerd zijn, dan kan ik hen niet anders beschouwen, dan in een gevaarlijke staat; niet, omdat ik vermaak schep in berisping, of mijzelf gerechtigd acht om over mijne medeschepselen te vonnissen, maar, omdat de heilige Schrift uitdrukkelijk uitspraak doet in het geval, en ik verplicht ben mijn gevoelens aan haar te ontlenen.

De Stokbewaarder was zekerlijk een christen, toen hij gedoopt was, zoals u opmerkt. “Hij beefde; hij riep uit: Wat moet ik doen om zalig te worden?” Paulus gebood hem niet, zijn leven te verbeteren, maar te geloven in de Heere Jezus, hij geloofde en verblijdde zich. Maar de Heere zegende de woorden van de apostel, door in hem dat zaligmakend geloof te verwekken, hetwelk hem vervulde met blijdschap en vrede. Het was, gelijk ik tevoren te kennen gaf, iets meer dan een blote toestemming van de voorgestelde waarheid: Dat Jezus de Christus is; het was een vertrouwen op Hem ter vergeving van zonden en aanneming in de Goddelijke gunst, en een aankleven aan Hem in liefde. Geen ander geloof zal het hart reinigen, door de liefde werken, en de wereld overwinnen.

Ik hoef mij niet te verontschuldigen voor een korte brief, uit aanmerking van gebrek aan tijd, want ik heb een lange brief geschreven. Ik voel een hartelijke zucht voor uw belangen. En uw onverwacht en openhartig schrijven aan mij, schoon het u niet onbekend was in welk licht ik bij sommige mensen beschouwd wordt, merk ik aan als een roeping van de Voorzienigheid, welke mij verplicht om u naar vermogen van dienst te zijn. Ik hoop dat onze briefwisseling een gelukkige uitwerking zal hebben, en dat wij eenmaal beide ons daarover verblijden zullen!
Ik ben, enz.
11 Augustus, 1775.