Brieven aan de eerw. heer Ds. R: Zesde brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR!

Bent u ziek, of lam aan de rechterhand, of bent u bezig een boek te schrijven — dat ik niet een enkele brief van u ontvang? U ziet, uit de verontschuldigingen die ik probeer te bedenken, dat ik niet graag geloven wil dat u mij vergeet, maar liever, dat uw stilzwijgen meer uit onvermogen dan uit ongezindheid toe te schrijven is. Ik hoop dat uw ziel welvaart. Ik vraag u niet of u altijd vervuld bent met gevoelige vertroosting, maar of u voelt dat uw geest meer neergebogen is naar de voeten en naar de wil van Jezus, zodat u gewillig bent om Hem te dienen, om het dienen zelf en Hem te volgen, zoals wel eens gezegd wordt: door dik en dun, om gewillig te zijn om alles voor Hem en niets in uzelf te zijn, opdat Hij verheerlijkt worde? Ik zou u in dit opzicht heel veel goede raad kunnen geven, maar ik schaam me om dat te doen, omdat ik het er zelf zo slecht afbreng om te volgen. Ik wil bij de dag wel uit Hem leven, alles voor hem doen, alles van Hem ontvangen, alles in Hem hebben, in alles tot Zijn eer leven. Hem tot mijn schuilplaats en rustplaats maken. Ik wil dat opstandige ik in ketenen aan Hem overleveren, maar die schelm neemt, net als Proteus, zoveel vormen aan, dat hij mij telkens door de vingers glipt.

Ik denk dat ik wel weet wat ik zou doen als ik hem geheel en al te pakken kon krijgen. Mijn ziel is als een belegerde stad: een legioen vijanden buiten de poort en een nest rusteloze verraders vanbinnen, die contact houden met die vanbuiten, zodat ik voortdurend bedrogen en tegengewerkt word. Het is genade dat ik niet allang ben verrast en overweldigd. Zonder hulp van Boven, zou het spoedig met mij gedaan zijn. Hoe dikwijls ben ik genoodzaakt geweest uit te roepen: “O, God de heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben de tempel Uwer heiligheid verontreinigd en al Uw werk geschonden”. Het is inderdaad een wonder dat ik het nog volhoud! Ik geloof echter dat ik tot het einde geholpen zal worden en dat de Heere ten slotte het beleg zal opbreken en mij oorzaak zal geven om verlossing en victorie te mogen uitroepen. Bid voor mij, dat mijn muren versterkt mogen worden en mijn wonden genezen. Wat het uitwendige betreft zijn wij allen redelijk gezond en wij voegen onze hartelijke groeten hierbij aan alle vrienden.
Ik ben waarlijk, enz.
18 april 1767