Brieven aan de eerw. heer Ds. B: Vierde brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR,

De bedoeling van dit schrijven is niet om een antwoord te geven op uw laatste aangename brief, maar de aanleiding van het schrijven is een gevolg van het verslag dat ik van de heer T. ontving aangaande uw recente ziekte. Ik vertrouw dat hetgeen over u beschikt is tot uw nut zal zijn. Ik zou willen dat wat ik daarvan vernomen heb ook voor mij tot nut mag zijn. Ik heb het voorrecht dat ik een ongewoon gezegende gezondheid mag hebben en ook heel veel energie. Als de tegenslag die u gekregen hebt een waarschuwing voor mij zou mogen zijn, heb ik reden tot dankbaarheid. Ik ben blij te horen dat het beter met u gaat. Ik hoop dat het voornemen van de Hee- re niet zo is dat u uw dienstwerk niet meer zult kunnen doen, maar dat Hij u (zoals Hij met Jakob gedaan heeft) zal versterken door u te verwonden. Dat hij in u dte overtuiging zal behouden en versterken, die u door genade ontvangen hebt van de nietigheid en onzekerheid van alles hier beneden. Hij geve u een levendig besef van de waarde van de gezondheid en van datgene wat wij nog mogen hebben en Hij voege bij de schat van ondervindingen nieuwe bewijzen van Zijn macht en goedheid, door u te ondersteunen, te vertroosten en te genezen. Hij verlevendige eveneens de gebeden van uw gemeente voor u en wekke hen op tot dubbele ijver om thans goed gebruik te maken van de middelen der genade, terwijl zij door dit recente voorbeeld zien hoe spoedig en onverwacht u van hen weggenomen zou kunnen zijn.

Ik heb begrepen dat u niet die levendige oefening van geloof en blijdschap hebt gevoeld, waarop u in die tijd had gehoopt. Laat u daardoor echter niet terugschrikken van het vast vertrouwen dat de Heere, als het uur van heengaan komt, getrouw zal zijn aan Zijn genadige belofte en u de kracht zal geven, die voldoende is om de laatste vijand tegemoet te treden en te overwinnen. U hebt pas geleden die kracht niet ontvangen, omdat u die nog niet nodig had, want al dacht u misschien dat u dichtbij de dood was, de Heere was van plan u te herstellen. Hij vergunde u uw zwakheid te gevoelen, opdat u aan de weet zou komen dat uw kracht niet bestaat in de genade die u ontvangen hebt, maar in Zijn volheid en in Zijn belofte, die Hij uit Zichzelf zou meedelen als uw omstandigheid het zou vereisen. O, het is zo’n grote zaak om sterk te zijn in de genade die in Christus Jezus is, maar dat is een moeilijke les! Het is niet moeilijk om het in theorie te verstaan, maar als de Heere ons dit zover geleerd heeft, is het nog moeilijker om wat wij weten, in praktijk te brengen. Maar dit is één doel dat Hij op het oog heeft, namelijk: dat het ons vergund wordt door zo’n verscheidenheid van inwendige en uitwendige oefeningen te gaan, zodat wij ophouden op onszelf te vertrouwen, of op een schepsel, of op een gestalte, of op ervaringen, maar dat wij in een toestand gebracht zullen worden van onderworpenheid en afhankelijkheid van Hem alleen.

Eens heeft de Heere mij ook bezocht met iets dergelijks, toen ik een soort beroerte kreeg, die ongeveer een uur duurde en verwarring in mijn hoofd naliet, mijn levensplan van toen volledig doorbrak en bijgevolg één van de middelen was die de Heere gebruikte om mij in Zijn dienst te brengen. Ik herstelde al spoedig volledig. Ik geloof dat X. enige jaren geleden met Kerst een attaque heeft gehad, die hem tijdelijk ongeschikt maakte om zijn dienstwerk te doen. Voor hem en voor mij waren deze gevallen slechts als de waarschuwing die Philippus van Macedonië elke morgen voor hem liet herhalen, namelijk: “Gedenk dat u een mens bent”. Ik hoop dat het voor u niet meer is dan een waarschuwing; dat u nog blijft leven om Hem te prijzen en dat er velen zijn die daardoor oorzaak mogen vinden om Hem te loven om uwentwil. Gedankt zij de Heere, wij zijn in veilige handen. De Heere Zelf is onze Bewaarder. Er overkomt ons dan alleen hetgeen door Zijn wijsheid en liefde wordt bestuurd. Gezondheid is Zijn gave en ziekte is ook een teken van Zijn liefde, als het geheiligd wordt. Hier kunnen wij vele dingen meemaken, die niet tot blijdschap maar tot droefheid van ons vlees zijn. Maar op de een of andere wijze zal Hij elke bittere beker zoet maken en eerlang zal Hij alle tranen van onze ogen af wissen. O, die blijdschap, die kroon, die heerlijkheid die de gelovige wacht! Laten wij de prijs der roeping Gods in het oog houden en voorwaarts gaan in de Naam van Jezus, de Verlosser, en Hij zal onze hoop niet beschamen.

Ik ben zojuist van een reis thuisgekomen. Ik ben vermoeid, en het wordt laat; daarom moet ik afbreken. Als u tijd en kracht hebt om te schrijven, verplicht mij dan door een bevestigend bericht van uw herstel; want ik ben enigszins ongerust over u.
Ik ben, enz.
12 December, 1767