Brieven aan de eerw. heer Ds. B: Vijfde brief

Jon Newton Brieven

DEAR FRIEND!

Ik dacht dat u langzaam was in het schrijven, maar ik vrees dat ik nog langzamer ben geweest. Een droevig voorval in onze familie noodzaakte mij, in December, van huis te gaan; waardoor ik buiten mijn gewone loopkring werd gebracht en in mijn briefwisseling achter geraakt ben. Ik vermoedde echter niet, op twee maanden na, dat de datum op uw brief zo oud was, als ik thans ontdek dat die was. Of ik u nu vaak, of zeer zeldzaam schrijf, de liefde van mijn hart tot u is hetzelfde; en dit zal ik ook van u geloven in mijn opzicht. Evenwel, als het mogelijk is, hoop ik dat de tussentijd aan weerszijden niet meer zo lang zal zijn. Het strekt mij tot blijdschap, dat het werk van de Heere in uw landstreek bloeit, en dat u ten aanzien van de uwen een veel troostrijker vooruitzicht hebt dan voorheen. Ook was het mij aangenaam, dat u te S. zo veel ingang gevonden hadt; ik hoop dat dit een eersteling zal zijn van grotere dingen.

Ik geloof, dat de toestand van ons land, over het algemeen, zich zeer donker voordoet. Maar het is een troost om te bemerken, dat ofschoon de ongerechtigheid vermenigvuldigd wordt, de Heere nochtans onder dit alles Zijn Evangelie uitbreidt; en dat, hoewel velen er zich tegen verzetten, er toch op de meeste plaatsen waar het Woord verkondigd wordt een groot aantal mensen genegen zijn om het te horen. Ik hoop, als God het wil, aanstaande Vrijdag een reis te maken naar het Graafschap Leicester. Dit was niet lang geleden zulk een land van donkerheid als dat wat u beschrijft; en een groot deel ervan is nog zo. Maar de Heere heeft drie van de voornaamste steden met het Evangelielicht bezocht. Ik ben begerig de broeders die in de wijngaard arbeiden te gaan bezoeken om mijn gering getuigenis af te leggen voor de waarheid die zij prediken, en, moge het mij gebeuren, een weinig vuur en ijver voor mijzelf onder hen op te doen. Ik ga niet vaak van huis; maar ik heb bevonden, dat een klein reisje, nu en dan, wanneer de weg daartoe geopend wordt, zijn nuttigheid heeft om de levensgeesten op te wekken, en de kring van onze waarnemingen uit te breiden. In dit opzicht gedenk ik nog, tot op deze dag, met genoegen aan mijne reis naar N.; ik zou haar heel graag nog eens maken, maar de afstand is zo groot dat ik het meer als wenselijk, dan als uitvoerlijk beschouw.

Mijn ervaringen wisselen nogal, net als die van u en mogelijk zijn uw gevoelens daaronder, zowel de aangename als de bittere, sterker dan de mijne. De vijand valt mij meer aan met gif dan met een stormwind en ik ben geneigd te denken dat ik meer te lijden heb van lusteloosheid dan sommige van mijn vrienden, die meer te lijden hebben van scherpe aanvallen, waartoe zij geroepen worden. Zo zijn in deze tijd, die ik vergelijkenderwijs mijn beste uren noem, mijn gevoelige vertroostingen ver van levendig. Over het algemeen kan ik echter mijn geloof vasthouden en mijzelf toevertrouwen aan de macht, de getrouwheid en het medelijden van die aanbiddelijke Zaligmaker op Wie mijn ziel gericht is en van Wie zij de vrijmoedigheid verkregen heeft om tot Hem de toevlucht te nemen.

Ik ben een arm, veranderlijk, ongestadig schepsel, maar Hij handelt met mij genadig. Hij geeft mij niet geheel aan mijzelf over, maar ik ondervind dagelijks zulke bewijzen van de boosheid van de zonde die in mij woont en die mij met beschaamdheid des aangezichts zou moeten bedekken- en dankbaar moest stemmen- dat mij onder de minsten die aan Zijn voeten zitten, een plaats vergund wordt. Dat ik ooit geroepen ben tot de kennis van Zijn zaligheid is een uitzonderlijk voorbeeld van Zijn soevereine genade. Dat ik nog steeds in die weg bewaard word, ondanks alles wat zich vanbinnen en vanbuiten verhief om mij te doen afwijken, moet geheel aan dezelfde soevereiniteit worden toegeschreven. Als het Hem, naar ik mag geloven, behaagt mij uiteindelijk te doen overwinnen, zal ik een bijzondere reden hebben om te zeggen: “Niet ons , niet ons, o HEERE, maar Uw Naam zij de eer en de lof”. Hoe dikwijls hebben zonde en satan gepoogd Mijn ziel van U, mijn God, los te scheuren! Maar eeuwigdurend is Uw liefde En Jezus verzegelt die met Zijn bloed. De Heere heeft mij in de loop van mijn prediking veel doen aandringen op een leven van gemeenschap met Hem en op het grote doel van het Evangelie om ons gelijkvormig met Hem te doen worden in de liefde.

Zolang zich door Zijn genade in mijn uitwendig gedrag niets opmerkelijks vertoont, dat in strijd is met hetgeen ik zeg, denken velen- die alleen kunnen oordelen naar wat zij zien- dat ik een heel gelukkig leven leid. Maar ach, als zij eens wisten wat er in mijn hart zoal omgaat, hoe lusteloos mijn geest in het verborgene is en hoe weinig de heerlijke waarheden die ik aan anderen voorstel mij zelf raken, zouden zij een ander oordeel over mij vormen. Kon ik bij mijzelf maar vinden wat ik anderen aanbeveel, dan zou ik inderdaad gelukkig zijn. Bid voor mij, geliefde vriend, opdat de Heere, Die thans de aangename lente doet aanbreken, een lentetijd in mijn ziel zou willen schenken, want om u de waarheid te zeggen, ik treur onder een lange wintertijd.
Ik ben, Enz.
14 Maart 1775