Achteruitgang in het geestelijk leven

Jon Newton Brieven

Uit de brieven van John Newton.

VRAAG: Wat zijn de meest voor de hand liggende Oorzaken, Symptomen, en Gevolgen van een achteruitgang in het Geestelijk Leven?

Gelovigen zijn van nature, net als anderen, dood in overtredingen en zonden, maar door het geloof in de Zoon van God hebben zij deel gekregen aan een nieuw en eeuwig leven. Zij ontvangen het van Hem, en Hij heeft gezegd: “Omdat Ik leef, zult ook u leven.” Maar het leven van dit leven, als ik zo mag spreken, de openbaring en de uitoefening ervan, is aan grote veranderingen onderhevig. Een zieke is nog in leven, maar hij heeft de opgewektheid, de activiteit en de kracht verloren die hij bezat toen hij gezond was. Er zijn veel mensen, die, als zij, zoals wij hopen, werkelijk voor God leven, op zijn minst ziek, loom en in een afnemende staat zijn. Moge de grote Geneesheer hen herstellen! Er wordt wel eens gezegd, dat “de kennis van een ziekte de helft van de genezing is”; hetgeen in dit geval opgaat, omdat, tenzij wij ons bewust zijn van onze aandoening en ons gevaar, wij niet van harte zullen zoeken naar genezing.

De oorzaken, symptomen en gevolgen van zulk een achteruitgang zijn zeer talrijk, en het is ook niet altijd gemakkelijk ze te onderscheiden, want zij versterken elkaar wederzijds in hun werking. De oorzaken zijn in veel gevallen een bewijs dat de plaag al is begonnen, en de uitwerking ervan komt voort uit een veelvoud van oorzaken, die de kwaal bevestigen en schadelijker maken.

Onder de vele algemene OORZAKEN kunnen wij een voornaamste plaats toekennen aan leerstellige dwalingen. Ik bedoel hier niet elke dwaling of verkeerde opvatting die kan worden aangenomen of gehandhaafd; maar er zijn sommige dwalingen, die vanwege hun plotselinge en gewelddadige werking met “vergif” kunnen worden vergeleken! Zo werden de Galaten, door te luisteren naar valse leraars, verleid tot afkeer van de eenvoud van het Evangelie; het gevolg was, dat zij de zegeningen waarvan zij eens hadden gesproken, snel verloren. Vergif wordt zelden in grote hoeveelheden ingenomen; maar als het vermengd wordt met voedsel, wordt het onheil niet ontdekt totdat het door de uitwerking aan het licht komt.

Zo maken zij, die zich bezighouden met het vergiftigen van zielen, gewoonlijk gebruik van een of andere belangrijke en heilzame waarheid, als een middel waardoor zij hun kwaadaardige gif overbrengen in het gemoed van de onoplettende mensen! Misschien spreken zij goed over de Persoon en de verzoening van Christus, of verheerlijken zij de rijkdom en de vrijheid van de Goddelijke genade – terwijl zij onder de sluier van deze schone schijn vooroordelen insinueren tegen de aard of de noodzakelijkheid van die heiligheid, zonder welke geen mens de Heere zal zien. Anderen spreken in algemene bewoordingen ten gunste van persoonlijke heiligheid, maar hun doel is het hart te onttrekken aan de afhankelijkheid van het bloed van de Heiland en de invloeden van Zijn Heilige Geest, zonder welke de meest nauwgezette manier van leven niet minder verschilt met de heiligheid van het Evangelie dan een schilderij of een standbeeld, of een lijk, verschilt met een levend mens.

Wie op deze manier in de grote en wezenlijke punten van de Bijbelse leer wordt beïnvloed om naar zijn inzicht en ervaring de dingen te scheiden die God heeft samengevoegd, is reeds besmet met een ziekte van dodelijke aard, en zijn godsdienst zal, tenzij de Heere genadig tussenbeide komt, ontaarden in ofwel losbandigheid of formaliteit!

Wij leven in een tijd waarin velen heen en weer worden geslingerd, door verschillende winden van leer, als schepen zonder roer of stuurman. En daarom kunnen zij die het welzijn van hun eigen ziel op het oog hebben, nooit teveel op hun hoede zijn voor die geest van nieuwsgierigheid en verlangen naar “nieuwe dingen”, die de apostel beschrijft met de metafoor van het hebben van jeukende oren, en het verlangen om elke nieuwe en bijzondere leraar te horen, zodat zij niet in dwalingen worden meegetrokken voordat zij het zich bewust zijn en een prooi worden van de list en sluwheid van hen die op de loer liggen om te misleiden!

Geestelijke hoogmoed en zelfverheerlijking zullen eveneens onherroepelijk een verval in het geestelijk leven veroorzaken, hoewel het gemoed bewaard mag zijn gebleven voor de besmetting van leerstellige dwalingen, en hoewel de kracht van het Evangelie voor een tijd werkelijk ervaren mag zijn. Als onze verworvenheden in kennis en begaafdheid, en zelfs in genade, ons verleiden tot een goede dunk van onszelf, alsof we wijs en goed waren, zijn we al in de val gelopen. Dan lopen wij gevaar om bij elke stap die we zetten de juiste weg te missen om van kwaad tot erger voort te gaan, zonder een macht om onze afwijkingen te corrigeren of zelfs maar te ontdekken – tenzij en totdat de Heere genadig tussenbeide komt, door ons te herstellen in een geest van nederigheid en afhankelijkheid van Zichzelf. Want God, die de nederigen genade schenkt, weerstaat de hoogmoedigen! Hij aanschouwt hen met afschuw – in verhouding tot de mate waarin zij zichzelf bewonderen. Het is de onveranderlijke wet van Zijn koninkrijk, dat een ieder die zichzelf verhoogt, vernederd zal worden.

Ware christenen zijn, door het nog resterende kwaad in hun hart, en de subtiele verleidingen van hun vijand, niet alleen onderhevig aan de werkingen van die trots die onze gevallen natuur eigen is – maar ook aan een bepaald soort trots, die alleen gevonden kan worden bij hen die het Evangelie belijden. Wij hebben niets dan wat wij ontvangen hebben, en daarom is het ronduit zondig om trots te zijn op titels, rijkdom, kennis, succes, of welke wereldlijke voordelen dan ook, waardoor de voorzienigheid van God ons onderscheiden heeft! En voor hen die belijden dat zij “zondaars” zijn, en daarom niets anders verdienen dan ellende en toorn – is trots zijn op die bijzondere zegeningen die voortvloeien uit het Evangelie van Zijn genade, een boosaardigheid waartoe zelfs de demonen niet in staat zijn!

De apostel Paulus was zich zo bewust van zijn gevaar om bovenmate verheven te worden door de overvloedige openbaringen en bijzondere gunsten die de Heere hem had geschonken, dat hij zegt: “Er werd mij een engel van satan gegeven om mij met vuisten te slaan.” Hij spreekt over deze scherpe doorn in het vlees als een extra genade, omdat hij zag dat het nodig was, omdat het hem ertoe bracht ootmoedig en opmerkzaam zijn voor zijn eigen zwakheid.

Voorgangers die geëerd worden om bijzondere bekwaamheden en successen, hebben om deze reden grote behoefte aan waakzaamheid en gebed. De Heere ziet niet zoals de mens ziet. Eenvoudige toehoorders zijn geneigd hun favoriete prediker te bewonderen, en hem bijna te beschouwen als iets meer dan een mens op de kansel, en het voor lief te nemen dat hij zelf diep getroffen is door de waarheden, die hij, met zoveel schijnbare vrijheid en macht aan hen voorhoudt; terwijl de arme worm zich misschien in het geheim overgeeft aan zelf-applaus, en zichzelf verblijdt met de aantallen en de aandacht van zijn toehoorders die aan zijn lippen hangen!

Misschien komen zulke gedachten af en toe op in het gemoed van de beste predikanten; maar als zij worden toegestaan, als zij gewoonte worden en sterk doordringen in het beeld dat hij zich vormt van zijn eigen karakter; en als hij, terwijl hij beweert Christus Jezus de Heere te prediken, zichzelf predikt en zijn eigen heerlijkheid zoekt, maakt hij zich schuldig aan hoogverraad tegen de Majesteit van Hem in Wiens Naam hij spreekt. En vroeg of laat zullen de gevolgen van zijn hoogmoed zichtbaar worden en opgemerkt worden. Beoordelingsfouten, grove misdragingen en vermindering van ijver of gaven, zijn kwaden die altijd gevreesd moeten worden wanneer geestelijke hoogmoed de overhand heeft gekregen, hetzij in het openbare of in het particuliere leven. “Want wie maakt onderscheid tussen u? En wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? En als u het ook ontvangen hebt, waarom roemt u alsof u het niet ontvangen had?” 1 Korintiërs 4:7 “De HEERE van de legermachten heeft dit besloten om de trots van alle sieraad te ontluisteren, om alle groten der aarde verachtelijk te maken.” Jesaja 23:9

Een buitensporig verlangen en gehechtheid aan de dingen van deze tegenwoordige wereld, kan worden aangewezen als een derde hoofdoorzaak van een geestelijke aftakeling. Tenzij dit kwade beginsel in zijn wortel is gestorven door de leer van het kruis, zal het na verloop van tijd de overhand krijgen over de meest voortreffelijke belijdenis. De liefde tot de wereld, die onverenigbaar is met de ware liefde tot God, manifesteert zich op twee verschillende manieren, overeenkomstig de verschillende neigingen en gewoonten van de mens.

De eerste is hebzucht of gierigheid naar geld. Dit was de ondergang van Judas, en waarschijnlijk de oorzaak van de afvalligheid van Demas. Door de eervolle vermelding die van hem wordt gemaakt in sommige van Paulus’ brieven, schijnt Demas een tijd lang veel vertrouwen en achting van Paulus te hebben gehad. Maar uiteindelijk kreeg zijn begerige hartstocht de overhand, en het laatste verslag dat wij van hem hebben, is: “Demas heeft mij verlaten, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen.” 2 Timotheüs 4:10

Er zijn ook mensen die niet kunnen worden beschuldigd van liefde voor geld omwille van het geld zelf, want zij verkwisten het liever dan dat zij het oppotten. Toch zijn zij evenzeer onder de invloed van een wereldse geest! Zij openbaren hun werelds hart door een dure smaak in kleding, meubilair en feesten, die niet passen bij een christelijk leven.

Het is niet gemakkelijk om in deze opzichten de juiste toon aan te geven van het christelijk gedrag dat past bij de verschillende situaties waarin de voorzienigheid van God ons heeft geplaatst. Het is ook niet nodig voor hen die arm van geest en oprecht van hart zijn. Een eenvoudig verlangen om God te behagen en het Evangelie te verkondigen, zal de meeste vragen beantwoorden over hoe een gelovige zijn geld moet besteden. De neiging van ons hart zal altijd onze persoonlijke uitgaven sturen en beheersen. Zij die de Heere liefhebben, en wiens geest levendig is in Zijn dienst, zullen zowel gierigheid als zelfzuchtige verkwisting vermijden. Zij zullen eerder naar de zuinige kant neigen in hoe zij hun geld aan zichzelf uitgeven – zodat zij beter in staat zullen zijn Gods zaak te bevorderen, en de nood van Zijn volk te lenigen.

Misleiders, die genoegen kunnen nemen met een vormen-godsdienst, zullen alles oppotten wat zij kunnen sparen om hun gierigheid te bevredigen! Anderen zullen alles uitgeven wat zij kunnen missen om hun ijdelheid of hun wereldse begeerten te bevredigen!

Het is niet gemakkelijk te bepalen welk van deze kwaden het grootste is. Misschien is van de twee de gierigaard het minst vatbaar voor ontdekking, en bijgevolg het moeilijkst terug te winnen. Een verlangen naar verkwisting en genotzucht zal, indien het wordt volgehouden, geleidelijk leiden tot zodanige navolging van de geest en de stelregels van de wereld, dat het de beoefening van het geloofsleven zeker zal verzwakken, zo niet geheel zal onderdrukken. In welke mate “de liefde tot de wereld” ook de overhand heeft – “de gezondheid van de ziel” zal evenredig afnemen.

Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in veel dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te verlangen, zijn sommigen afgedwaald van het geloof, en hebben zich met vele smarten doorstoken1 Timotheüs 6:9-10.

Vele andere oorzaken zouden kunnen worden opgesomd – maar de meeste kunnen worden teruggebracht tot de hoofdzaken die ik reeds heb genoemd. De praktijk van een enkele zonde, of het verzuim van een enkele plicht – indien dit wordt gedaan tegen het licht van het geweten in, en het een gewoonte is geworden, zal het voldoende zijn om de ziel zwak, onvruchtbaar en onbevredigd te houden, en haar open te stellen voor de indruk van elke omringende verzoeking. Soms wordt het oordeel verdraaid door ontrouw aan het licht dat men reeds ontvangen heeft, en dan worden dwalingen van een zonde, die het hart niet wil opgeven, gemakkelijk omhelsd om de vermaningen van het geweten te ontwijken.

Op andere tijden verzwakken dwalingen onmerkbaar het plichtsbesef, en verspreiden geleidelijk hun invloeden over het gehele leven. Geloof en een goed geweten worden door de apostel dikwijls samen genoemd, omdat zij onafscheidelijk zijn. Afscheid nemen van het ene is afscheid nemen van het andere. Zij die het geheimenis van het geloof in een rein geweten vasthouden, zullen in een bloeiend gemoed bewaard worden, zij zullen in genade toenemen, van kracht tot kracht voortgaan en eervol en aangenaam wandelen. Maar voor zover de leerstellingen of de regels van het Evangelie worden verwaarloosd, zal een slopende ziekte de vitale delen van de Godsdienst aantasten, een ziekte die in haar aard dodelijk is en waarvan niemand herstelt – behalve zij aan wie God genadig de bekering tot het leven schenkt.

De SYMPTOMEN van zulk een zielsziekte zijn overeenkomstig de verschillende persoonlijkheden en situaties zeer talrijk en verschillend. Een aantal van deze, die algemeen waarneembaar zijn, en die zeker wijzen op afvalligheid, zijn de volgende.

Lichamelijke ziekte gaat gewoonlijk gepaard met verlies van eetlust, ledigheid en rusteloosheid. Evenzo berooft de ziekte van de ziel haar van rust en vrede. Het veroorzaakt luiheid en onverschilligheid in de Godsdienst en een onverschilligheid tot de genademiddelen, maar ook in de verborgen omgang met God en de openbare inzettingen. Deze zaken, die zo noodzakelijk zijn om de geestelijke gezondheid te bewaren, worden óf geleidelijk verwaarloosd en opgegeven, óf de bijwoning ervan verzwakt tot een louter formele gewoonte, zonder smaak en zonder nut.

Voor de gezonde mens is gewoon voedsel smakelijk – maar wanneer het gehemelte door ziekte is aangetast, wordt hij kieskeurig en veeleisend, en hunkert naar variëteiten. Evenzo, wanneer de oprechte melk van het Evangelie, de zuivere waarheid gebracht in duidelijke woorden, niet langer aangenaam is, zodat iemand behoefte heeft aan merkwaardige speculaties, of de schuimende welsprekendheid van de menselijke wijsheid. Als deze dingen zijn aandacht trekken, dan is dat een slecht teken. Want deze zijn niet geschikt om het gestel te voeden, maar de ziekte.

De volgende stap is gewoonlijk, om na het verwaarlozen of bespotten van de middelen, die God heeft verschaft om de ziel te bevredigen, verlichting te zoeken door zich te schikken naar de gezindheid, gewoonten en vermakelijkheden van de wereld. En zodra deze gelijkvormigheid is geaccepteerd, zal zij spoedig worden verdedigd; en zij die deze gelijkvormigheid niet kunnen goedkeuren of imiteren, zullen worden afgeschilderd als onder invloed van een bekrompen, wettische, of farizeese gezindheid.

De zieke belijder verkeert in een waanzinnige toestand die hem belet zijn ziekte te voelen. Hij veronderstelt dat de verandering in zijn gedrag het gevolg is van een toename van wijsheid, licht en vrijheid. Hij beschouwt de tijd toen hij strenger en omzichtiger was als een tijd van onwetendheid, en glimlacht bij de herinnering aan wat hij nu als zijn kinderlijke bezwaren ziet. Hij feliciteert zichzelf dat hij ze gelukkig ontgroeid is, en vindt nu dat de diensten van God en de wereld niet zo onverenigbaar zijn als hij ooit dacht dat ze waren.

Maar terwijl hij zo de regel van zijn eigen gedrag versoepelt, is hij een kritisch streng waarnemer van het gedrag van anderen. Als de gelegenheid zich voordoet, veroordeelt hij scherp de dwalingen en fouten van predikanten en gelovigen. Hij spreekt daarover, niet wenend zoals de apostel deed – maar met genoegen, en probeert zichzelf ervan te overtuigen dat de strengheid waarover zo vaak gesproken wordt, ofwel een dekmantel van huichelarij is, ofwel de vrucht van bijgeloof. Ware christenen worden zelden met meer oneerbiedige misverstanden of onverdiende verwijten geconfronteerd dan door hen die eens hun metgezellen waren, maar hen daarna in de steek laten.

Wanneer een dergelijke wanorde op haar hoogtepunt is, is zij werkelijk gevaarlijk, en menselijkerwijs gezien uitzichtloos. Maar de macht behoort aan God. Moge het Hem behagen in barmhartigheid te gedenken aan hen die de dood nabij zijn, hen in hun verstand te herstellen en hen tot Zich terug te brengen. Anders “zou het beter voor hen geweest zijn dat zij de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, nadat zij die hebben leren kennen, zich weer afkeren van het heilige gebod dat hun overgeleverd was!”

John Newton Brieven & Leven