Brieven aan de eerwaarde heer B: Zevende brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR,

U zegt dat u meer geschikt bent om “ik ellendig mens” te roepen dan “halleluja”. Waarom niet allebei? Als de hoge tonen een lofprijzing zijn en er nederigheid van hart is voor de bas, is de melodie aangenaam en harmonieert ze goed. Als wij ze echter niet tegelijk kunnen voortbrengen, moeten wij ze wel beurtelings laten horen. Het moet niet altijd zingen zijn, maar ook niet altijd zuchten; er moet afwisseling zijn en evenwicht, opdat wij niet te hoog opgeheven worden en ook niet te laag neergeworpen worden, wat het geval zou zijn als wij lange tijd achter elkaar troost zouden hebben of bedroefd zouden zijn. Maar al veranderen wij, de Zaligmaker verandert niet. Al onze zaken liggen in Zijn handen en zijn derhalve veilig.

Zijn pad loopt door diepe wateren. Zijn gedachten en wijze van handelen gaan ons zover te boven, als de hemel is boven de aarde. Hij volgt om Zijn voornemens te volbrengen dikwijls een koers die direct tegengesteld is aan wat onze beperkte inzichten zouden voorschrijven. Hij doorwondt, om te helen; Hij doodt, opdat Hij levend zou maken. Hij werpt neer, als Hij van plan is op te richten. Hij laat een dodigheid over ons gevoel, over onze begeerten en onze verwachtingen komen, als Hij gereedstaat ons de begeerte van ons hart te geven. Deze dingen doet Hij om ons te beproeven, maar Hij weet en heeft van tevoren bepaald wat Hij doen zal.

De afloop van de beproeving is inderdaad gewoonlijk tot onze beschaming. Ongeduld en ongeloof steken de kop op en doen ons algauw veronderstellen dat deze en gene dingen, ja, misschien wel alle dingen, tegen ons zijn en ons doen twijfelen of Hij met en voor ons is, of niet. Het eindigt echter evenzeer in het prijzen van Zijn goedheid, als wij er achter komen dat Hij niettegenstaande alle onvriendelijke klachten en verdenkingen nog steeds op een wonderlijke wijze ons ten goede werkt, het licht doet voortkomen uit de duisternis en ons goed doet, ondanks onszelf.
Ik ben, 
December 1777