Brieven aan de eerwaarde heer B: Derde brief

Jon Newton Brieven

DEAR SIR,

Ik hoop te zijner tijd te vernemen dat de Heere u volledige genezing en gezondheid heeft gegeven. Hij heeft mij tot nu uit de handen van de chirurgen gehouden, maar ik voel wel, zoals je zelf ook zei, dat mijn vlees een lafaard zou blijken te zijn als het nodig zou zijn dat ik mij moest onderwerpen aan een pijnlijke operatie. Toch merk ik wel, als zulke operaties nodig zijn, dat als men zeker is van de kunde en wijsheid van de chirurg, men niet alleen zich overgeeft, zodat hij hen naar believen opereert zonder dat men vrij is aan te geven waar of hoe lang hij bezig moet zijn, maar dat men hem zal bedanken en belonen dat hij hun pijn heeft gedaan, omdat zij geloven dat het voor hun bestwil is.

Wat mij betreft zou ik wel willen dat ik meer op hen zou lijken. Mijn lichaam, zoals ik al zei, is gelukkig vrij gebleven van ernstige kwalen, maar ik heb een ziel die voortdurend een behandeling van een chirurg nodig heeft. Daar moet bijna dagelijks over de een of andere tumor overlegd worden of die moet opengesneden worden; er moet een ontwrichting op zijn plaats gezet, of een breuk geheeld worden. Het is een grote zegen voor mij dat er Eén is. Die mijn geval onder behandeling heeft. Wiens kunde nooit faalt en Die onophoudelijk zorg besteedt aan en een onbeperkt medelijden heeft met al Zijn patiënten. Hoe gecompliceerd het geval ook moge zijn, ik twijfel er niet aan of Hij maakt je volledig beter.

Maar helaas, ook ik ontdek bij mijzelf zo vaak zo’n ongeduld, wantrouwen en geklaag als ik bij Hem onder behandeling ben. Ik ben zo geneigd aanmerkingen te maken op de middelen die het Hem behaagt voor mij te gebruiken. Ik ben zo geneigd te denken dat Hij de heilzame wonden onnodig maakt, of te groot maakt. In één woord, ik toon zo’n geneigdheid om, ware het mogelijk, zelf de leiding te nemen of Zijn behandeling zelf te sturen, zodat Hij het allang met mij zou hebben opgegeven, als Zijn geduld niet onuitsprekelijk groot was geweest. Ik ben ervan overtuigd dat uw dokter zich door geen geld zou laten overhalen een patiënt te behandelen, die zich zó tegenover hem zou gedragen als ik gedaan heb tegenover mijn beste Geneesheer. Soms koester ik de hoop dat ik wijzer word en denk ik vast dat ik, nadat ik zo ontelbaar veel bewijzen heb gehad dat Hij alles wel maakt, mij nu gerust en zeker, zonder enige reserve, aan Zijn leiding kan overlaten. Ik heb mij al duizend keer zo willen overgeven, en heb het al duizend keer al redenerend weer ingetrokken. Toch is Hij nog genadig! O, wat moest ik Hem dan toch loven en prijzen!

Ik dank u voor uw brief. Ik heb er nooit een van u ontvangen, die mij geen genoegen gaf of, naar ik geloof, zelden zonder dat ik er profijt van heb gehad, ten minste voor dat moment. Ik geloof met u dat er nog veel is van de eigenlijke vrucht, die toch het doel is van de verborgenheid van het Evangelie, wat ik nog niet heb ondervonden. Ik denk dat degenen die mij ver vooruit zijn wat het leven uit God betreft, hetzelfde zullen oordelen over hun tegenwoordige beste vruchten. Toch droom ik niet van een bestendige toestand in dit leven, zodat het niet meer mijn ervaring zal zijn dat het leven een staat van strijd en vernedering is.

Toen ik pas op de weg was, heb ik inderdaad gedacht dat ik van jaar tot jaar beter zou worden en mij ook beter zou voelen. Ik verwachtte dat ik van lieverlede alles zou bereiken van wat ik toen in mijn gedachten vormde over een kind van God. Ik dacht dat het beginsel van genade dat ik had op den duur zou uitgroeien tot een talent, door veel ijver en nauwgezette verbetering. Na verloop van tijd hoopte ik dat het ene talent zou vermeerderen tot vele, zodat ik mij, als de Heere mij een flink aantal jaren zou sparen, met de gedachte zou kunnen vergenoegen dat ik als een rijke zou sterven.

Maar helaas, deze gulden verwachtingen van mij zijn als ijdele dromen geweest. Ik heb tot op heden geleefd als een arme zondaar en ik geloof dat ik zo zal sterven. Heb ik dan niets gewonnen met op de Heere te wachten? Ja, ik heb datgene erdoor verkregen, wat ik ééns liever zou hebben gemist: opeenvolgende bewijzen van de bedrieglijkheid en hopeloze boosheid van mijn hart, die mij, naar ik hoop, onder de zegen des Heeren enigermate geleerd hebben aan de weet te komen wat ik bedoel als ik zeg: “Zie, ik ben onrein”. Daaraan verbonden heb ik zo’n ondervinding opgedaan van de wijsheid, de macht en het mededogen van mijn Verlosser; van de noodzakelijkheid, van de waarde van Zijn bloed, van Zijn gerechtigheid, van Zijn hemelvaart, van Zijn voorbede, van de heerlijkheid die Hij tentoonspreidt in de vergeving van zonde en ongerechtigheid, en dat Hij de overtredingen van het overblijfsel van Zijn erfenis voorbijgaat, zodat mijn ziel anders niet kan dan uitroepen: “Wie is een God gelijk Gij?”

Derhalve heb ik nu wat geringer gedachten van mijzelf (Ezech. 16:63), en hoger gedachten van Hem, dan ik twintig jaar geleden had. Ik heb redenen om dankbaar te zijn: elk korreltje van deze bevinding is bergen goud waard. Als ik door genade nog meer zal dalen in mijn eigen achting, en het Hem zal behagen dat Hij nog heerlijker zal rijzen in mijn ogen en nog dierbaarder voor mijn hart zal worden, verwacht ik dat dit op dezelfde wijze zal gebeuren. Ik was beschaamd toen ik Hem begon te zoeken, ik ben nu nog beschaamder, en ik verwacht dat ik het meest van al beschaamd zal zijn als Hij zal verschijnen om mijn laatste vijand teniet te doen. Maar o, ik mag me wel in Hem verblijden, als ik bedenk dat Hij Zich niet voor mij schaamt.
Ik ben,
November 1774